Pom Pom - Bolivie

Omdat ik tijdens de vlucht over de Atlantische Oceaan verjaar, zorgt Anneke voor een pracht van een verrassing. In haar alles ontwapenende doodgewoonheid, heeft ze aan de stewardess gevraagd of ik de cockpit eens binnen mag. En inderdaad, tijdens onze approach op Buenos Aires, licht de airhostess me uit mijn zetel en neemt ze me mee naar voren. Alsof 9-11 nooit bestaan heeft, gaat de deur van het heilige der heiligen voor me open. Verklikkerlichtjes alom en goedlachse piloten knipogen me toe dat alles naar wens vleugelt. In de verte zie ik de immense geeloranje waas van de metropool bij nacht waar we even later zullen landen. Een mooi begin van ons tweede jaar. Buenos Aires lijkt wel een mix van verschillende steden. Soms voelen we ons in New York door haar opdeling in cuadras (huizenblokken) en zijn glooiende, brede eenrichtingsavenues. Haar monumentale ouderwetse charme brengt ons dan weer in Parijse sferen. Maar je proeft ook een snuif België door de wildbouw van moderne gedrochten naast mooie, oude gebouwen. En Bulgarije met zijn verraderlijke gaten in de voetpaden is ook nooit veraf.

Chilecito heeft ons helemaal te pakken. Het mijnstadje ligt in het midden van de woestijn. Het ontstond begin twintigste eeuw dankzij het romaneske initiatief van een visionaire Duitser, Adolf Bleichert. Er zat namelijk goud, zilver en koper in de grond. Daarom besloot hij om op deze plek een cable-carril (kabelbaan) aan te leggen. Ze zou een slordige 40 kilometer lang worden, met een hoogteverschil van 3500 meter. De hele ijzeren constructie met al zijn gondeltjes staat hier nog, bevroren in de tijd. Het lijkt alsof je, met één druk op de startknop, dit indrukwekkende meccanospel zo weer in gang zou krijgen. Een ploeg doorzetters die zo'n project tot een goed einde brengt in compleet onherbergzaam gebied, from scratch en mits het ontwerpen en vervaardigen van ongeveer elk onderdeel, dat vind ik ronduit fascinerend. In dit geval had het hele opzet ook iets tragisch. Nog geen tien jaar na haar opening, moest de hele onderneming worden opgedoekt vanwege het uitbreken van de Eerste Wereldoorlog.

Chilecito zelf ademt een Western-sfeertje. Onbewust, begin ik hier als een volleerde John Wayne wat heupwiegender te lopen. Mijn benen zetten zich ongevraagd in O-positie en mijn handen gaan instinctief op zoek naar de onzichtbare Colts die ik tegen mijn dijen voel hangen. Anneke vraagt me waarom ik zo raar loop.

2u 30 's ochtends: drie jonge Fransen en een Belg van middelbare leeftijd zitten aan de ontbijttafel van een schijnbaar verlaten hotel. De pillampjes op hun voorhoofd zijn hun enige verlichting. Ze hebben zich gehuld in al het warms dat ze uit hun rugzakken konden opdiepen. Ze stompen met veel moeite koude pannenkoekjes met suikerstroop naar binnen want elke gram energie zal nodig zijn om de Licancaburvulkaan, zo'n kleine 2000 meter hogerop, te bedwingen. Iets later komt onze chauffeur Ronald vragen: 'Estais listos?' ('Zijn jullie klaar?'), als was hij de beul die ons voor het laatst in de ogen kijkt. We antwoorden unaniem 'Si!', maar met een klein hartje, vermits we niet weten wat vierduizend meter en hoger straks met ons lichaam zal doen.

Daar gaan we dan... en het begin zit lekker snor want het is Ronald die ons met die goeie ouwe Landcruiser tot aan de voet van het monster zal voeren. Hoe hij, met behulp van twee povere mistlichten zijn weg vindt in deze door keien bezaaide donkerte, blijft ons een raadsel. Feit is dat, na een halfuurtje rammelen en doorheen schudden in het niets, onze berggids meldt dat we zijn aangekomen, of liever, dat het echte werk voor ons nu pas gaat beginnen.

Mijn grootste angst is dat ik na pakweg een kwartier, totaal uitgeput, groen en kotsend aan mijn klimcompagnons zal moeten zeggen: 'Sorry, jongens, ik kan niet meer.' Met als gevolg dat die drie jonge turken en de gids solidair zouden moeten wachten tot iemand me uit dit donkere gat komt halen. Dat zou meteen het einde van de tocht betekenen voor iedereen. We zijn namelijk zo vroeg op pad om voor de dagelijkse stormwind de top te bereiken.

De eerste honderden meters zijn dus vooral een bang wachten op eventuele signalen van een falend lichaam boven de 4000 meter. Het eerste kwartier gaat er dan ook behoorlijk hartkloppend aan toe. Maar ik verplicht mezelf om heel rustig adem te halen. Ik vind mijn eigen tempo en ik kom langzaamaan goed op dreef. Meer nog, ik durf al een beetje rond te kijken. Ik krijg het indrukwekkende gevoel dat we in deze nacht niet op een bergpad, maar tussen de sterren aan het wandelen zijn. De aarde lijkt opeens niet meer te bestaan en ik zie alleen nog die flikkerende fonkelaars om me heen...

pom-pom in Bolivie