Pom Pom - Indie

Wanneer we in Fatehpur Sikri voor het eerst een Indisch busstation betreden, wanen we ons aanvankelijk op een autokerkhof. De bussen zijn minstens vijftig jaar oud, tot op de draad versleten en ze hangen met haken en ogen aan elkaar. Ook van binnen lijkt zo'n bus totaal opgebruikt: metalen bankjes blinkend van het jarenlange geschuif der achterwerken, geen ruiten maar een soort solied uitgevoerde scandiaflexen en deuren die dankzij een koordje worden dichtgehouden. Zelfs de chauffeurszetel is zijn zitvlak sinds tijden kwijt en is vervangen door zo'n in plastic gevlochten zitje van een tuinstoel. De buitenmaatse versnellingspook waarvan het beschermende accordeonleder volledig door de tijd verteerd is, verdwijnt via een groot gat regelrecht in de vloer. Zo kunnen we de motor ook eens van binnenuit bezichtigen.

Eens onderweg blijkt dat schakelen voor de chauffeur een ware sport is: een combinatie van spierkracht en stretching want de reikwijdte van zo'n pook is warempel indrukwekkend. Maar het rijdt en we krijgen niet het gevoel dat zo'n chauffeur ook maar de minste aandrang voelt tot syndicale actie ter verbetering van zijn werkomstandigheden; het zou elders wel anders zijn. Er rijden op zo'n vehikel ook controleurs mee. Ze zijn in mokka-kleurige uniformen gestoken en doen hun job met stijl en gedrevenheid. De bankbriefjes houden ze als waaiertjes geplooid in hun linkerhand, terwijl de rechterhand het mobiele ticketmachientje op hun buik bedient. Ze toveren vervoersbewijzen tevoorschijn via mysterieus toetsenwerk en draaien aan een wieltje. Niemand ontsnapt aan hun alziend oog, zelfs op een overvolle bus. Ze geraken bij elke passagier, ook al moeten ze daarvoor over iedereen en alles kruipen: manden, pluimvee, rijstzakken, oude vrouwtjes, kookpotten, valiezen en kinderen. Het clienteel verandert bij iedere stop, maar zij vergeten nooit wie al wel heeft betaald en wie nog niet.

In het begin van een rit komt zo'n controleur dikwijls ietwat stuurs over, maar dat verandert met de uren. Hij wordt geleidelijk de pater familias van het transportgebeuren: hij helpt de oudjes bij het uitstappen, hij houdt de chauffeur wakker met een goede babbel en hij zorgt dat een lege zitplaats onmiddellijk wordt opgevuld, zelfs als daarvoor een delocalisatie van de halve busbevolking nodig blijkt. Want dat is zijn stiel en dat is zijn beroepseer: mensen en goederen op een ordentelijke wijze tot op hun bestemming brengen.

We kunnen blijven kijken naar die vrouwen in hun kleurrijke sari's, versierd met overdreven veel nepjuwelen: oorbellen, neusringen, tientallen blinkende armbanden aan elke arm en evenveel ringen aan elke vinger en teen. De immer blote navels van jonge schoonheden of van wobbelende matrones. Dat dikke, geoliede, gitzwart blinkende haar, die witte tanden en de lachende ogen die, uitnodigend en nieuwsgierig tegelijk, door ons heen priemen. De jonge mannen zijn tenger en klein. Ze zijn papa van gemakkelijk twee kinderen, maar lijken zelf amper vijftien. Vele oudere mannen hebben de onhebbelijke gewoonte om hun haar in bijna fluo-oranje te verven. En hun moustache erbij, het is werkelijk geen gezicht. De baby's en peuters, met hun zwart gemaquilleerde oogjes, zijn als koningskinderen zo mooi. Ze doen ons hart ter plekke smelten wanneer ze, bijtend op hun vuistje, die grote witte weirdo's met hun volle, dikke rugzakken gefascineerd aanstaren. Over 'groot' gesproken, trouwens. Wij met onze goede meter zeventig voelen ons hier als reuzen: werkelijk niemand is groter dan wij.

Rochelen, spuwen en luidop boeren kunnen ze allemaal als de beste. 'Als je maar lawaai maakt, bewijs je dat je nog leeft.' zoiets. Vooral dat rochelen komt ons algauw, maar gelukkig niet letterlijk, de oren uit. Jong of oud, iedereen kauwt dag in dag uit een goedkoop goedje dat overal in kleine zakjes te koop hangt. Om de vijf minuten spuwen ze het in een walgelijk bruinrode fluim weer uit op vloeren of tegen deuren, liftwanden tot hospitaalmuren toe.

Na Kochi, trekken we de heuvels in, richting Munnar met zijn theeplantages. Ik gebruik niet graag het z-woord, maar die theeplantages zijn pure zen:  alles klopt perfect. Dit is mensgemaakte natuur genesteld in door goden geschapen schoonheid.

Over goden gesproken, trouwens: Kerala wordt 'God's own country' genoemd en daar is wel wat van, al was het maar door de uitzonderlijk vriendelijke, open, lachende mensen. Ook de plaatselijke taal, het Malayalam, kwettert vrolijk weg als een kabbelend gibberish en het geschrift heeft een krinklende, winklende gekronkeldheid in elk van zijn tekens.