Pom Pom - Kenia en Oeganda

Nairobi begint iets anders dan verwacht: met een dubbele keelontsteking, eentje voor elk van ons beiden. Gelukkig vinden we een rustig hotelletje net buiten het stadscentrum, waar we kunnen uitzieken en antibiotica slikken. De 'verplichte' week Nairobi geeft ons dan ook de kans om ons langzaam in te werken in dit alweer nieuwe continent. Veel aanpassingsmoeilijkheden of groeipijnen ervaren we nochtans niet want we voelen ons in zwart Afrika onmiddellijk thuis. Hoewel Nairobi, samen met Johannesburg, de bedenkelijke reputatie van gevaarlijkste stad van Afrika heeft, komt de hoofdstad niet echt bedreigend over. Wel moeten we elke dag, op weg naar het centrum, door een stuk miserabel no man's land, bevolkt door in lompen gehulde straatkinderen. Ofwel liggen ze uitgeteld en roerloos in het midden van de straat ofwel hangen ze tegen een kapotte bal aan te trappen, het bedwelmende lijmflesje vastgeschroefd in hun neus. Bedreigd voelen we ons niet, eerder uitermate gegeneerd om hier als buitenaards wezen welgekleed en goed doorvoed door hun dagdagelijkse hel te stappen.

Tijdens de twee volgende dagen in Amboseli zien we buffels, nijlpaarden, bavianen, impala's en een reusachtige haas. En dan heb ik het nog niet over al het rondfladderende gevederte: de kraanvogels met hun macho wervelende rondedans, de grote secretarisvogel met zijn kop van een arend en zijn poten van een ooievaar en de kleinere vliegerds in alle kleuren van de regenboog. De superb starling of glansspreeuw, bijvoorbeeld, draagt een parelmoeren blauwe vest met bruine pantalon, een witte strik en een zwart hoedje. Zijn intense ogen zijn omrand door een wit brilmontuur. Daarenboven bouwt die kerel perfect ronde nesten die als kerstballen in de acacias hangen. En zingen kan hij ook als de beste: wie kan daar tegenop?

Van de 'big five' (leeuw, luipaard, neushoorn, olifant en buffel) hebben we alleen de twee laatste gezien. Wie heeft die lijst eigenlijk uitgevonden? Waarom wel de buffel en niet het nijlpaard? Het gaat trouwens helemaal niet om beestjes afvinken: de kans om drie dagen lang in een overweldigende, maar o zo kwetsbare natuur rond te hangen, daarvoor alleen al moet een mens dankbaar zijn. Dankbaar en geprivilegieerd, zoals we ons deze twee jaar al zo vaak mochten voelen.