Pom Pom - Marokko

Wat in mijn herinnering slechts een dorp was, is ondertussen een uit zijn voegen gebarsten stad. Maar het oude stadsgedeelte van Chefchaouen is gelukkig amper veranderd. Overal zacht bepleisterde huizen in alle mogelijke tinten van al even zacht blauw. We zouden die muren wel willen aaien als we erlangs lopen. Elk boogje lijkt een doorgang naar een oriëntaals sprookje en we moeten ons inhouden om niet door de sleutelgaten van schattige kabouterdeurtjes te piepen. Witgesluierde dames in blinkende gewaden schrijden discreet voorbij in de smalle steegjes met hun afgeronde trapjes. We doorkruisen een blauwe, stille rust overkoepeld door een nog blauwere hemel. Glimlachende mensen begroeten ons zachtjes met 'Salam Aleikoem' en verwachten niks anders van ons dan een 'Aleikoem Salam' terug.

Taroudant wordt soms het 'kleine Marrakech' genoemd, maar deze stad heeft haar authenticiteit wel weten te bewaren en is nog steeds mijn lievelingsstad in Marokko. De gezellige medina is op mensenmaat en relatief rustig. Het grote centrale plein zit altijd vol, maar toeristen komen hier nauwelijks. Tegen de avond loopt, rijdt en draaft iedereen en alles kriskras door elkaar in een zoemend geroezemoes als van een bezige bijenkorf.

En dan is er natuurlijk ook nog het emblematische Hotel Taroudant. Dertig jaar geleden ademde dit handelspand een ware 'Casablanca'-sfeer uit. Toen werd het etablissement nog gerund door een stokoud kreng van een Française die je altijd de indruk gaf dat je veel te min was om bij haar te logeren. Zij is al lang dood, maar de hoofdbediende met perfecte butlerlook werkt hier nog steeds en hij pent als weleer je hotelrekening neer in het mooiste handschrift ooit gezien.

Toen schreden in het hotel-restaurant kelners rond in witte vestons met zwarte strikjes om je gracieus te bedienen van soep uit porseleinen terrines. Ook vlees, patatjes en erwtjes (het was echt een Franse keuken, daar zorgde die heks wel voor) werden meticuleus op je bord gedeponeerd. En er werd wijn geserveerd, een uitzondering in die tijd. Maar het was vooral die ingehouden stijl en oudbakken rust in een bijwijlen te luidruchtig Marokko die me hier altijd terug heen zogen.

De kamers waren allemaal verschillend: met boogjes hier en andere boogjes daar, zware gordijnen, zithoekjes en versleten lederen fauteuils. Sommige suites waren zo groot als een salon in een Antwerps herenhuis, andere kamers klein als een nonnencel. En overal hingen vergeelde posters aan de muren en van die ouderwetse Air France-affiches waarvoor ze nu veel geld geven. Kortom, een bonte maar stijlvolle verzameling chaos gelegen rond een patio met twee palmbomen en een klaterend fonteintje.

Die patio fungeerde als ontbijtruimte en overdag kon je er ontsnappen aan de hitte. Maar bij valavond veranderde de plek van functie. De zure Francaise had namelijk een curieuze regel in haar dictatoriale regime ingevoerd. Tussen acht en tien uur 's avonds mochten niet-hotelgasten op de patio alcohol komen nuttigen. En dus werd er in die twee uur gedronken zoals overal in Marokko: veel te veel en veel te snel. Alsof, als je dan toch zondigt, je dat maar beter overtuigd en excessief kan doen. Het was een gebral en een kabaal onder zwalpende mannen. En maar wauwelen, elkaar vastpakken, rumoeriger worden met de minuut en omvallen of toch bijna, terwijl de garcons onverstoorbaar de bierflesjes aan- en afvoerden. Wanneer de boel definitief uit de hand dreigde te lopen, begon het personeel kordaat maar beleefd te wijzen op het nakende sluitingsuur. Elke avond om klokslag tien uur werd de laatste zatlap hoffelijk aan de deur gezet en daalde de rust weer neer over Hotel Taroudant.